In november 1867 was de opening van het nieuwe weeshuis aan de Haagse Hooftskade een belangrijke gebeurtenis voor de stad. Het “Dagblad voor Zuid-Holland en ‘s-Gravenhage” (een voorloper van de inmiddels ook al weer verdwenen Haagsche Courant) besteedde er in een reeks van artikelen aandacht aan, en publiceerde ook een aantal ingezonden brieven. Recent kreeg ik de tekst van een aantal van deze publicaties in handen en deze volgen hieronder.
Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, 7 november 1867:
Mijnheer de Hoofdredacteur!
Nadat ik in het Dagblad van heden de beschrijving van het nieuwe Weeshuis gelezen had, kon ik niet van mij verkrijgen, om het stilzwijgen te bewaren van hetgeen ik in het oude verlaten Weeshuis gezien heb, ten einde zulks ook door het Dagblad bekend te maken:
U moet dan weten, dat ik, na het nieuwe Weeshuis in zijn geheel van binnen te hebben beschouwd en de feestrede gisteren van ds. Moll in de Willemskerk te hebben gehoord, mij naar het verlaten Weeshuis (de voormalige Zweedse Residentie aan het Spui, MdV) heb begeven, om dat eens nu het niet meer bevolkt is geheel op te nemen, en alwaar ik dan ook door een zeer dienstwillig jongeling O. genaamd, die er geheel alleen was, door het geheele gebouw ben rondgeleid.
Getroffen maar ook tevens gelukkig gevoelde ik mij over hetgeen ik zag en over hetgeen ik gezien had, namelijk, getroffen over den niet te beschrijven slechten toestand van het verlatenhuis, waarin zoo velen geleefd hadden, maar gelukkig bij de gedachte in wat een heerlijk huis zij zich nu bevinden!
Ja. Zeker moeten zij zich hoogst gelukkig gevoelen, die kinderen, en ook de ouden, dat ze, om het zoo eens uit te drukken van een hel in een paradijs zijn overgebragt. Zeker zullen ze jubelen en juichen met hunne verwisseling van verblijfplaats.
Ik voor mij zou zeker geen woorden genoeg kunnen vinden om mijne erkentelijkheid en dank te betuigen voor eene zoo groote lotsverandering, in een gebouw te ondervinden waar licht en lucht, leven en vrolijkheid alom heerscht, een lotsverbetering die een nieuw leven aan allen daar, oud en jong, zal geven.
Ik begrijp niet hoe of in dat oude lokaal twee honderd jaren en meer honderden hebben kunnen leven en dat er vooral in latere jaren nog dienstwillige mannen en vrouwen gevonden zijn, om de weezen op te passen, als anderzins.
Om eene beschrijving van dat oude weeshuis te geven zet ik den besten, ik kan het niet en is het voor mij onmogelijk, en geloof dat velen het met mij eens zullen zijn, dat men gemakkelijker van iets moois dan van iets leelijks eene beschrijving kan geven. Ik voor mij zal er me dus niet aan wagen, maar er alleen van zeggen, dat het een gebouw is waarin ik, als ik ze bezat, mijne paarden en koeijen niet zou willen stallen!
De zoogenaamde slaap-, eet-, leer en ziekenzalen, zijn of liever waren, akelige, duistere, muffige, stinkende vertrekken en vertrekjes, waarin naauwelijks licht en lucht naar behooren was te verkrijgen, waarin de armoedigste ledikanten met toebehooren, tafels en banken, reinigings- en verwarmingstoestellen, en wat voor verlichting noodig is te vinden zijn! — terwijl daarbij door zekere kleine kamertjes. waarvan ik geene specificatie zal geven, voor de reuk eene alles behalve aangename geur wordt verspreid. Bv. dan die brei- en naaikamertjes of hokken, ze hadden veel van gevangenis vertrekken, neen, ik geloof niet dat er in ons land zulke gevangenissen zijn als dit oude Weeshuis, waar in vroegere dagen, zoo als te zien is, de koeijen, ossen, schapen of wat het voor slagtbeesten geweest mogen zijn, in het voorhuis geslagt wierden.
Daarom dan ook wenschte ik gaarne deze regelen in het Dagblad op te nemen, ten einde door allen, die in de zaak belangstellen en daarin hebben bijgedragen , doch het oude Weeshuis niet hebben gezien, om een nieuw Weeshuis te stichten worde vernomen, dat ze een heerlijk werk hebben verrigt, en aan de heeren, die de ontwerpers en uitvoerders er van zijn geweest, niet genoeg dank kan worden gezegd voor dat groote liefdewerk, en opdat ook anderen dat oude weeshuis eens gaan zien, die het nieuwe reeds gezien hebben, om zich een denkbeeld te kunnen maken van den vroegeren toestand der weeskinderen met den tegenwoordigen, en of zij zich dan ook niet gelukkig zullen gevoelen, dat die kinderen als het ware in een nieuw leven zijn overgegaan?
Waarmede ik de eer heb met alle achting te zijn, V. S.
Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, 7 november 1867:
Gelijk wij gister reeds meldden werd het schoone feest der inwijding van het nieuwe Weeshuis der Hervormde gemeente alhier, gister avond met het feestelijk onthalen en vermaken der weezen eigenaardig besloten. Met genoegen hebben wij deze feestviering aanschouwd, getuigen als men ons liet zijn van dat hartverkwikkende tooneel, dat in die oogenblikken de beneden-zalen der nieuw betrokken stichting opleverden. Ware het mogelijk geweest, dat de talrijke schare, die gister den weezenstoet — welke door de in rijtuigen opgenomen kranken en kleinen, die hem besloot, op ons den indruk maakte van een karavaan op weg naar een nieuw land der liefde — langs onze straten met zoo groote belangstelling en blijkbare deelneming begroette, ook de vreugde had kunnen bespieden, die thans op het gelaat der genotsmakende weezen blonk, zij, had erkend, dat de kinderen der gemeente niet alleen daar buiten in zindelijk gewaad gehuld, maar ook binnen het gebouw met christelijke humaniteit behandeld worden.
In den vooravond werden de nog spelende kleinen door regenten — die wij niet genoeg met het oog op hun ijver en menschenliefde kunnen roemen — met een liefe-lijken voorraad speelgoed verrast, waardoor men in het kinderoog, waarin de blik van vader of moeder niet meer vriendelijk tegemoetkomend kan staren, al ras tranen van blijdschap zag parelen. Bamberg — de zoon — wist het door zijne behendigheden en juiste gezigtsvertooningen den kinderen waarlijk prettig te maken, zoodat zij het dan ook weldra uitschaterden van vreugde. Toen later de magen derverpleegden op haar beurt deel kregen in het feestgenot, moesten we de orde en den regelmaat bewonderen, waarmede alles werd toegediend, hetgeen ons onwillekeurig een welgemeende lofspraak ontlokte met betrekking tot den alleszins bekwamen en degelijken directeur dezer inrigting, den heer P. Krab, en tot diens allerverdienstelijkste echtgenoote, die haar taak van directrice zoo uitnemend vervult, en welke beiden in de uitoefening hunner functiën door uitstekende suppoosten zoo waardig worden bijgestaan. Geen wonder, dat, waar alles wat wij zagen, zoo sprak tot ons hart en gemoed, wij steeds hooger het feit leerden waarderen, dat het oude weeshuis verlaten werd en dat zich dit nieuwe, waarin niets aanwezig is dat naar weelde of overdaad gelijkt, zich voor de weezen ontsloot. We wenschen diakenen — die we als mannen , bezield met liefde tot armen en weezen, mogen prijzen — en heeren regenten vooral geluk met het verbeterd verblijf, dat den weezen bereid werd. We maken voorts van deze gelegenheid gebruik om hun onze erkentelijkheid te betuigen voor de hulde, ook uit hun naam, aan ons Blad en zijn hoofdredacteur gebragt, voor den steun dien wij — waar mogelijk — aan de zaak der liefdadigheid verleenden: een medewerking, welke wij onzerzijds alleen uit aandrang des harten bewezen hebben.
Omtrent de godsdienstige feestviering deelen wij nog mede, dat dr. Janssonius, bij het plegtig woord dat hij in de catechisatie-zaal van het weeshuis sprak, voor het eerst gebruik maakte van den prachtigen, sierlijk met zilver gemonteerden en van toepasselijke inscriptiën voorzienen bijbel, welke eene aanzienlijke dame, die haar hoogsten vreugde vindt in het weldoen der minderbedeelden, aan het weeshuis ten geschenke gaf. Verder kan als aanvulling van ons verslag nog dienen, dat het godsdienstig zamenzijn in de Willemskerk ook werd bijgewoond door den graaf Schimmelpenninck, als Minister voor de zaken der Hervormde en andere eerediensten. Eindelijk mogen wij nog wijzen op den edelen zin van den Weeshuis regent, den heer D. Boer Jr., die het ameublement van het gesticht met eene kostbare pendule verrijkte. Dat de weezen hunnerzijds — het wordt met eere geboekstaafd — zich dankbaar toonden voor al de verrassingen, die zij genoten, daarvan deden zij op hunne wijze blijken, door een viertal allerfraaiste bloemruikers, met de schriftelijke opdragt: “eene hulde van de weezen aan de regenten”, in het regenten-vertrek neder te leggen.
Velen — om hiermede te eindigen — zullen wij zeker verblijden met het berigt, dat ds. Latners het historisch en bezielend woord — ’t laatste in het oude Weeshuis — dat hij daar jl. Maandag avond sprak, in vereeniging met het eerste woord in het Nieuwe Weeshuis door Ds. Janssonius geuit, door den druk zal openbaar maken, en wel als bijdrage voor de stichting van een orgel, dat het Weeshuis nog zoo dringend behoeft.
Het nieuwe Weeshuis — ten slotte zij ons deze ontboezeming vergund — door de liefde der Hervormde gemeente, in haar streven door zoo vele weldadige stadgenooten geschraagd, verrezen, staat nu wel en is reeds bewoond, maar om het tot een blijvend toevlugtsoord voorarme weezen te doen strekken, wordt eene klimmende geldelijke ondersteuning vereischt. Dit begreep zeer juist de weldadige gever, die gister regenten reeds met een gift van f 1000 verblijdde. Mogt deze liefdedaad de eersteling zijn van een geheelen liefdadigheidsoogst, die diaconie en regenten langzaam maar zeker zullen kunnen inzamelen. Waar de opbrengst der collecten steeds vermindert en de diaconie f 60.000 van hare bezittingen voor het nieuwe Weeshuis moest te gelde maken, waardoor ze jaarlijks f 3000 aan rente mist, is de toekomst der Hervormde diaconie inderdaad donker gekleurd. Laat ons daarom hopen, dat het licht der liefde, door de ervaring der hoogste liefde in veler hart ontstoken, de nevelen zal doen scheuren en een nieuw tijdperk van zegen voor bedeelde of in de gestichten verpleegde armen zal doen aanbreken. Langs dien weg zou het nieuwe Weeshuis tevens een gedenkteeken worden van de weder ten volle ontwaakte veerkracht der liefde in de Hervormde gemeente der Hofstad.
Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, 7 november 1867:
Zijn de bezwaren groot, die vaak — en niet ten onregte — tegen den geest der eeuw worden ingebragt, de lofspraak mag toch van haar gelden, dat zij niet ver- flaauwt in den arbeid der liefde, waar we nog telkens om ons heen zooveel gestichten zien verrijzen, als even zoo vele vruchten aan den boom der liefdadigheid ontloken. De dag van heden leverde daarvan in onze hofstad op nieuwen treffend bewijs, nu het nieuwe Weeshuis der Hervormde Gemeente plegtig Gode werd gewijd. Dat geschiedde allereerst in de Willemskerk, waar eene uitgelezen en groote schare al reeds vroeg bijeen was. Onze oogen ontdekten er vele aanzienlijken en voorgangers, tot deze feestviering genood met het oog op hun ambt en bediening — o. a. waren ook afgevaardigden der besturen van de verschillende godsdienstige gezindheden hier ter stede opgekomen — of wegens hetgeen ze tot heil der stichting, die hare wijding stond te ontvangen, hadden gedaan. Doch voorts ontbraken er niet belangstellenden uit alle rangen en standen, die wenschten getuigen te zijn van het bezegelen van de liefdedaad der gemeente, zooals het stichten van het nieuwe Godshuis wel mag heeten.
Straks beklom ds. Moll den kansel tot het houden der feestrede, waartoe hij was verzocht en tevens eigenaardig aangewezen, als onvermoeid werkzaam voorzitter der commissie tot den Weeshuisbouw. Tot grondslag zijner feestrede legde de spreker I Kronieken 29 vs. 13-15. De woorden van David toepassende op de huidige gelegenheid, wees de feestredenaar aan hoe ook ons lof en dank betaamde jegens God met ’t oog op hetgeen werd gesticht, verkregen en verwacht, ’t Werk dat gesticht is, heette de spreker noodig, moeijelijk, langdurig en veelomvattend. Wat de gemeente verkregen had, bestond in den grond dien men had mogen vinden, een bouw en inrigting zooals men die had gewenscht, eene vrijwillige liefde die zich had geopenbaard en den aandrang tot godsdienstige wijding der stichting, die zich zoo luid had uitgesproken.
Der gemeente wachten eindelijk blijvende behoeften die vervulling vragen, voortdurende liefdezorg, die steeds geëischt zal worden , en de ware heilgrond, waaruit alleen, ook voor dit nieuwe Weeshuis, onvergankelijke zegen kan opwassen. Met nog mannelijke kracht en nog jeugdig vuur sprak de eerwaardige grijsaard en begaafde spreker over dit zijn hoog heilig onderwerp, daarbij hulde brengende aan allen—bovenal aan de bouwcommissie en den uitstekenden bouwmeester, den heer E. Saraber, wiens verdienstelijke naam, nu reeds aan het vierde Godshuis binnen deze gemeente, tot in volgende eeuwen zal blijven gehecht — die, hetzij door giften of gaven, hetzij door tijd en moeite hadden bijgedragen tot het doen verrijzen van dit nieuwe Godshuis, dat nog aan het verre nageslacht het getuigenis zal doen hooren, van ’t geen de liefde tot Christus in deze tweede helft der 19e eeuw vermogt. Deze heerlijke feestrede — gebrek aan tijd en plaats verbiedt ons, tot ons innig leedwezen, daarover verder uit te weiden — werd aandoenlijk schoon afgewisseld door het koorgezang der weezen, waarin zich straks ook de toonen der gemeente mengden en waarvan men de even dichterlijke als christelijke woorden verschuldigd is aan de lier van dr. Benninck Janssonius, van wien ’t naar waarheid moet worden getuigd, dat hij krachtig tot de hoogste wijding van dit triomfeest der liefde heeft medegewerkt.
Met gemengde gewaarwordingen verlieten we het kerkgebouw, waaruit weldra de weezen den togt naar hun nieuwe woning, onder ’t geleide van hun bestuurregenten, aannamen. Straks was deze eigenaardige feeststoet — die de menschheid meer vereerde dan al de triomfen op ’t bloedig oorlogsveld behaald — aan het nieuwe weeshuis op de Hooftskade gekomen. In de catechisatie-kamer betrad weldra ds. Benninck Janssonius den kansel, om op plegtige wijs en met die waardigheid en welsprekendheid, dien uitstekenden prediker eigen, het nieuwe weeshuis, uit naam van den kerkeraad over te dragen aan de diaconie der Hervormde gemeente.
Treffend herdacht de spr. het feit, hoe dit wijdings-feest nauw te zamen valt met ’t heerlijk Hervormingsfeest, hetwelk de gemeente onlangs mogt vieren, zoodat deze stichting voor ons oog mag verrijzen als een teeken dat de geest der Hervorming, die evenzeer een geest der liefde als der vrijheid is, nog niet uit de gemeente is geweken. In waarlijk hartelijke taal beantwoordde de advocaat-diaken ,de heer mr. J. J. van Geuns, het treffende woord van ds. Janssonius, daarbij de hoop uitsprekende, dat de gemeente krachtig mogt onderhouden, hetgeen ze zoo heerlijk had voltooid. Ook deze bijeenkomst werd door ’t lied der weezen, nu aangeheven in hun eigen woning, opgeluisterd en gewijd, terwijl het weder dr. Janssonius was die de bezielde stof tot dezen feestzang had geleverd, terwijl de woorden door den heer L.J. Lefèbre op muziek waren gebragt.
Zoo eindigde dan dit feest — een feest der liefde, des geloofs en der hope in nadruk te heeten — ’t welks voorzeker op allen, die ’t bijwoonden een diepen en onvergetelijken indruk zal hebben gemaakt. Binnen ’t weeshuis zal ’t evenwel heden avond nog worden voortgezet, waar de kinderen op gepaste wijze zullen worden onthaald en feestelijk beziggehouden.
De namen van de leden der stichtings-commissie wenschen we ook in dit Blad aan de vergetelheid te onttrekken, waartoe we ze hieronder doen volgen. Tevens meenen we onzen lezers een dienst te doen met ook eene omstandige beschrijving van het weeshuis onder hunne aandacht te brengen.
De commissie bestaat uit de volgende heeren: ds. Moll, voorz., ds. van den Broek, J. van Osenbruggen Dz., A. van der Goes, mr. C.A. van der Kemp, mr. A.P.T. Eyssell, P.M. Verhoeven (overleden), J. L. Wiercx, mr. J.J. van Geuns, B. T. van Rijswijk, F.L. Schmit, J.F. Hardenberg, B. de Poorter, J.D. Beek, P.F.W. Mouton en J. Noordendorp.

Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, 6 november 1867:
Beschrijving van het Weeshuis
De entree van het Weeshuis aan de Hooftskade is een eenvoudig voorportaal van doelmatige grootte; het heeft gemeenschap links met het kantoor van den directeur en regts met de kamer van den portier. Deze entrée is door eene dubbele deur gescheiden van de vestibule, welke toegang geeft tot twee spreekkamers en voorts links tot de jongens- en regts tot de meisjes-afdeeling. Aan het einde dezer vestibule, regt tegenover den hoofdingang, ligt de hoofdtrap, die met genoemde vestibule door staande boven-lichtramen verlicht wordt, en die zich ter hoogte van het eerste bordes in twee deelen verdeelt en behalve tot de jongens- en meisjes-afdeelingen onmiddellijk tot de catechisatiezaal henen leidt. Deze zaal heeft eene afmeting van 12 ellen breedte, 16 ellen lengte en 8 el gemiddelde hoogte. Bij den strengen eenvoud der vormen is evenwel het geheel smaakvol, de kapconstructie met de luchtverversching, de inrigting der zitplaatsen, verlichting, enz. zijn er doeltreffend aangebragt. Het publiek, dat de catechisatiën wenscht bij te wonen, heeft door de geschikte ligging van den hoofdtrap een zeer gemakkelijken toegang tot de zaal. Voor dc weezen zijn uit iedere afdeeling toegangen, afgescheiden van dien voor het publiek. De tribune aan de achterzijde der zaal heeft in het midden eene afgesloten ruimte tot plaatsing van een orgel, ter weerszijden daarvan zijn zitbanken aangebragt voor reconvalisenten die genoegzaam hersteld zijn om de catechisatie te kunnen bijwonen. Twee trappen, één in het jongens- en één in het meisjeskwartier, leiden tot deze tribune.
Vanuit de vestibule heeft men, zooals gezegd is, toegang tot de beide afdeelingen, waarin het gebouw verdeeld is, het jongens- en het meisjeskwartier. In iedere afdeeling zijn drie hoofdgangen en eene ruime binnenplaats aangebragt, twee der genoemde gangen loopen evenwijdig aan en in dezelfde rigting met de zijgevels; inmidden dezer laatste vindt men een hoofdtrap naar de le verdieping en aan de einden twee kleinere trappen, welke tot de zolders doorgaan.
In het jongens kwartier zijn de navolgende vertrekken en gelegen:
Aan den voorgevel: de vergaderzalen voor Diakenen, Regentessen en Regenten, met de noodige kasten, privaat en verdere gemakken. De laatstgenoemde heeft in de Koningstraat eenen ingang met portaal.
Aan de binnenplaats: de woon- en slaapkamers van den directeur, met privaat, alcove en kast; de privaten en urinoirs, allen van licht en lucht voorzien; de badkamer; de cellen tot opsluiting;
Aan den zijgevel: de jongens-eetzaal met suppoostenkamer; de jongens leer- en gezelschapszalen, waarin langs de muren kastjes ten gebruike der jongens zijn aangebragt; de hiervoren genoemde trapportalen, waarvan het midden bevat een privaat voor suppoosten, den toegang tot de lijkenkelder en een uitgang in de Koningstraat. Het portaal aan het einde van den vleugel is de afzonderlijke toegang den hoofdonder- wijzer, wiens woning, bestaande uit vier woonkamers, keuken, kelder, dienstbodenkamer, privaten en kasten, den eindvleugel van het jongenskwartier aan de zijde der Koningstraat en speelplaats uitmaakt.
Aan de speelplaats: de suppoosten-eetkamer; een zijgang met uitgang op de speelplaats; de kleedermakers werkplaats met ruime bergplaats en magazijn; de kamer van den jongensvader met ruime bergplaats en kasten voor de dagelijksche behoeften onder onmiddellijk toezigt van dien suppoost staande; een wachtkamer; een suppoostenkamer; de overdekte speelplaats.
In het meisjes kwartier vindt men de volgende lokalen:
Aan den voorgevel: eene suppoostenkamer; de kinder-eetzaal; en de breikamer; de beide laatste met de noodige kasten voorzien;
Aan de binnenplaats: de keuken met de stook-kooktoestellen, kasten en verdere gemakken; een kleine gang in verbinding met de keuken strekt tot het geregeld uitgeven der spijzen; het lokaal der stoommachine met steenkolenkelder en uitgang op de binnenplaats; privaten, badkamer en cellen tot opsluiting;
Aan den zijgevel: de meisjes-eetzaal met kastjes langs de muren ten gebruike der meisjes; eene suppoostenkamer; de naaikamer; de meisjes-gezelschapszaal; en als eindvleugel aan de zijde van zijgevel en speelplaats, de mangel- en strijkkamer. De lokalen 3, 4 en 5 zijn allen met ruime kasten voorzien; de hiervoren genoemde trapportalen waarvan het middenportaal met een uitgang naar buiten is voorzien.
Aan de speelplaats: de spijskamer met de noodige rekken enz., tot berging; een zijgang met uitgang op de speelplaats; de hulpkeuken met kasten , schoorsteen en verdere benoodigdheden, ter vervanging van de stoom-kooktoestellen, wanneer deze schoongemaakt of hersteld moeten worden; de waschkamer met ruime bergplaats, waschkuipen en desinfecteertoestel; de verwarming van het water en de verhitting van de toestel geschiedt door stoom; de kamer van de meisjesmoeder, met ruime bergplaatsen en kasten; de kinder-speelzaal met ruime bergplaats en uitgang naar de overdekte speelplaats; in den gang is naast de kinderslaapzaal een suppoosten-privaat aangebragt; de overdekte meisjes-speelplaats; een lichtportaal tegenover den trap aan den eindvleugel.
Verder is in iedere afdeeling tot toegang naar het ziekenkwartier een trap aangebragt, onmiddellijk achter den hoofdtrap gelegen en van boven verlicht. Onder de bordessen dezer trappen loopt een gang tot gemeenschap van directeurswoning en keuken. Onder het bordes van den hoofdtrap vindt men den toegang de kelders. Een afzonderlijke toegang tot den brandvrijen kelder tot berging van archieven, enz. is achter de diakenenzaal in de jongensgang aangebragt. De kelders tot berging van provisie en brandstoffen zijn onder het middengebouw gelegen; behalve de bovengenoemde zijn aan den voorgevel en aan de binnenplaatsen twee toegangen gemaakt.
De eerste verdieping bevat, behalve de reeds vermelde catechisatiezaal en trapportalen.
In de jongens-afdeeling, drie groote en twee kleinere slaapzalen; zes suppoosten-kamers; privaten, urinoirs en bergplaatsen; het zieken-kwartier bestaande uit: de besmettelijke-ziekenzaal; de ziekenzaal, door een gang van de besmettelijke zieken zaal gescheiden; de reconvalescentenzaal; een badkamer; kasten en privaten voor iedere zaal afzonderlijk; het magazijn tot berging van kleederen, beddengoed, en de kamer tot berging van meubelen.
in de meisjes-afdeeling, drie groote en een kleinere slaapzaal.de kinder-slaapzaal.de slaapzaal voor zeer jonge kinderen, vier suppoostenkamers, privaten en bergplaatsen, het ziekenkwartier, bestaande uit: de besmettelijke ziekenzaal, de ziekenzaal als die in de jongensafdeeling gelegen, de reconvalescentenzaal, de kamer der ziekenmoeder, het kamertje voor geneeskundig gebruik; kasten en privaten voor iedere zaal afzonderlijk. Het linnenmagazijn, boven de mangel en strijkkamer gelegen, met ruime kasten voorzien; boven dit lokaal is op den zolder een windas geplaatst tot het op- en nederlaten van de wasch, waartoe in de vloeren van den zolder en van het magazijn luiken zijn gemaakt, en de bergkamer voor kindergoed.
Al de voornoemde slaap- en ziekenzalen zijn van een doelmatige luchtverversing, waschtoestellen en alle verdere benoodigdheden voorzien; aan iedere slaapzaal sluit zich eene suppoostenkamer aan. De suppoostenkamers zijn allen met de noodige vaste kasten voorzien. Op de ruime zolders boven de zijvleugels gelegen, zijn de waterreservoirs geplaatst, welke door perspompen gevuld worden en tot voeding der waschtoestellen en baden dienen; de zolder in de meisjes-afdeeling en die boven de hoofdonderwijzerswoning in het jongenskwartier dienen tot droogzolders. Zij zijn allen ruim van licht en lucht voorzien door de daarop aangebragte dakvensters.
De ruime speelplaatsen achter het gebouw zijn tot afscheiding van jongens- en meisjeskwartier door eenen muur in twee gelijke ruimten verdeeld; aan het einde van dien scheidingsmuur zijn het brandspuithuisje, de vuilnisput en twee privaten aangebragt. Op het midden van iedere speelplaats en binnenplaats is eene pomp gesteld. De tuin achter de speelplaatsen en het schoolgebouw gelegen, wordt met ijzeren hekken van de speelplaatsen afgesloten. Aan den voorgevel tusschen de avant-corps en in verlenging van den voorgevel aan de zijde der Jacob Catsstraat tot aan de scheidingsloot van het aangrenzend perceel zullen mede ijzeren hekken worden gesteld, welke tot een netter aanzien van het geheel zeker zullen bijdragen.
Het schoolgebouw van gelijke ordonnantie als het Weeshuis is geheel daarvan afgescheiden, het is in twee deelen verdeeld, waarvan het eene voor de weezen van het gesticht is bestemd en het andere tot een tweede diaconie-school zal dienen.
Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage 13 november 1867:
Ingezonden Stukken
Mijnheer de Redacteur!
Toen ik het nieuwe Weeshuis bezocht, kon het wel niet anders ik moest den hoed afnemen voor hen, aan wie de belangen weezen en armen zijn toevertrouwd, en toen ik die ruime doch naar geen overdaad zwemende zalen doorliep, dacht ik over een en ander na; ik dacht aan de bewoners van zoo menig paleis en villa in onze schoone hofstad aan de prachtige zalen daarbinnen; ik dacht aan zoo menige van bijzondere en openbare liefdadigheid, doch steeds kwamen mij de ƒ60.000 voor den geest, die genomen zijn uit fondsen der Diaconie, om dit gebouw te maken tot wat thans is; ik dacht aan zoo menige ontbering, die daardoor armen, ook door mindere opbrengst der collecten, zullen lijden hebben in den winter, die aanstaande is, en dan dacht aan ”Zurkann’s stichting” en de Christen gevoelde zich dezen door den Israëliet beschaamd! Gaf Zurkann alléén f100.000 en staat alzoo zijne stichting bij den dood zijner echtgenoote na aftrek der successieregten, zuiver ƒ85.000 te wachten,, zoo dacht ik, zijn wij niet in staat dit gebouw, zonder eene opoffering uit de diaconale kas, daar te stellen?
Zou het niet mogelijk zijn, dat een tien of twintigtal onzer de handen inéén sloegen en zeiden “komaan, wij vullen de ontbrekende som aan, en geven elk ƒ10.000 of ƒ5000; wij nemen er daarom niets minder van, en is de winter en vieren wij feest in onze goed verwarmde zalen, op ons zal het verwijt niet rusten, dat daar buiten menig, wiens behoeften vermeerderd, wiens inkomsten verminderd zijn, tot zijne kinderen wanhopend zeggen moet: “Och kleinen, brood is er niet, en wij bidden om den dood, dan wordt gij opgenomen en verzorgd.”
Menigeen zal toch nog in den winter die aanstaande is den des tijds bitterlijk gevoelen, doch wanneer gij eens zoo edelmoedig waart, het ontbrekende aan te vullen, dan schoot nog iets over, en was er althans iets meer in plaats minder de taak van armverzorgers veel verligt in plaats bezwaard, als thans helaas het geval is. Het woord des Heeren worde in u vervuld. “Gij hebt veel daarom worde u veel vergeven!” en dankbaar aan overige stadgenooten, die ieder naar hun vermogen reeds bijgedragen, rijze de dank aan hen, die door hunne liefdegaven het “Weeshuis der Nederl. Herv. Gemeente” onbezwaard hielpen dáárstellen.
Dit geve God! en mogt dit woord een plaatsje vinden, Mijnheer de Redacteur, bij het vele goede dat gij reeds deedt voor gesticht in uw veel gelezen blad, gij zult mij daarmede zeer verpligten
’s Hage, 11 November 1867. Uw bestendigen lezer J. B.
